Singing Communities: Politics of Feeling in Songs of the Dutch Revolutionary Period (1780-1815)

Gelijkgestemden? Gevoelspolitiek in liederen van het Nederlandse revolutietijdvak (1780-1815)
Start - End 
2017 - 2021 (ongoing)
Type 
Department(s) 
Department of Literary Studies
Other institution(s) 
Kingston School of Art, Department of Performing Arts

Tabgroup

Abstract

In Singing Communities, I have investigated how people engaged through song and singing in political communities of the Dutch revolutionary period. These revolutionary years at the end of the eighteenth century were a period of great political and social instability for the (northern) Netherlands. The old dispute between supporters and adversaries of the stadtholderate flared up again: the republicans positioned themselves as Patriots opposite the Orangists, an opposition that led to a brief civil war in 1787. The stadtholder was able to affirm his position with the help of Prussia and many Patriots had to flee into exile. In 1795, he had to already abandon his post again, when the Patriots brought about the Batavian Revolution aided by the French. The young Batavian Republic, however, soon fell prey to Napoleon’s politics of expansion. Eventually, this enabled the stadtholders’ son to return in 1813 as king of the Netherlands. In such a turbulent period, the song culture that was so deeply anchored in Dutch everyday life offered people a way to identify with and participate in collectives that could develop into communities engaging with the political developments of that time.

 To shape my investigation into the politics of feeling that come forward in the song culture of this period, I have developed a theoretical and methodological framework that acknowledges the performative nature of song, and the imagined as well as embodied aspects of singing practices. The core chapters are centred around the three central ways in which communities could be shaped in and through song: mobilisation, imagination, and affirmation. These were all dependent on the manipulation of feelings. As such, I have distinguished various emotional regimes and pointed out how their politics of feeling took shape in song and singing practices. Song was used to disseminate ideologies and singing practices were employed to mobilise people’s bodies to engage with political developments. Such mobilisation was essential to make imagined feelings available to the felt, embodied experience. Patriots and Orangists encouraged their mutual hate in many mocking songs, a hate that eventually led to an armed conflict. At the same time, mobilisation was also dependent on imagination. For example, the imagining of realities that it might be worth mobilising for—in song, a Dutch republic without a stadtholder could be imagined. The imagination was also essential for the imagined continuation of previously embodied communities, as it was between 1787 and 1795 for the Patriots in exile. Both the imagined and embodied forms of community played a role in affirming new regimes after yet another political shift, as is becomes evident in the many national festivals after 1795 or the festive welcome for Willem Frederik in 1813. Affirmation can thus be understood as the reinforcement of the communities which had been achieved through imagination and mobilisation. Whereas songs were at first used to polarise, they were eventually also employed to reinforce a narrative of reconciliation that had to erase all disputes of the foregoing revolutionary period.

Despite the many political shifts that occurred throughout the revolutionary period, I have also been able to distinguish patterns of repetition. Throughout the political song repertoire of the Dutch revolutionary period, the same tropes, tunes, and singing practices were employed over and over again. Although the specific significations of such tropes, tunes and practices changed, they were continuously used for one same goal: to bring people together in a singing community. It turns out that, to build and maintain sustainable communities, it was essential to create continuity in and of practice. The affective economy of Dutch politics—regardless of whether this was a Patriot, Orangist, Batavian, or otherwise ideologically motivated politics—relied on a fixed repertoire of feelings that was used throughout the Dutch revolutionary period to mobilise, imagine, and affirm communities within the current political regime.

In Singing Communities heb ik onderzocht hoe in het Nederlandse revolutietijdvak politieke gemeenschappen gevormd werden middels het zingen van liederen. De revolutionaire jaren aan het einde van de achttiende eeuw vormden een periode van grote politieke en sociale instabiliteit voor de (noordelijke) Nederlanden. De oude twisten tussen staatsgezinden en prinsgezinden speelden weer op, waarbij de staatsgezinden zichzelf als ‘ware’ patriotten tegenover de orangisten positioneerden. In 1787 kwam het zelfs tot een burgeroorlog. Tijdens deze gewapende confrontatie kon de stadhouder zijn machtspositie met de hulp van Pruisen herstellen en veel patriotten moesten vluchten. Al in 1795 keerden de patriotten weer terug, en brachten zij met hulp van de Fransen de Bataafse Revolutie teweeg. De jonge Bataafse Republiek werd echter al gauw onder de voet gelopen door Napoleon en ingelijfd bij het Franse Keizerrijk. Na de val van Napoleon in 1813 kon de zoon van de in 1795 verdreven stadhouder terugkeren als koning der Nederlanden. In zulke turbulente tijden bood bij uitstek de diep in het dagelijks leven verankerde zang- en liedcultuur een mogelijkheid voor de mensen om deel te worden van een collectief. Mede door hun zangpraktijken konden deze collectieven uitgroeiden tot (gevoels)gemeenschappen die de politieke ontwikkelingen van die tijd mede vormgaven.

Aan de basis van dit onderzoek ligt een theoretisch en methodologisch kader dat de performatieve aard van liederen erkent en aandacht besteedt aan zowel de verbeelde als de belichaamde aspecten van het zingen. De kernhoofdstukken richten zich op de drie belangrijkste principes waarop de vorming van gemeenschappen gebaseerd kon zijn: mobilisatie, verbeelding en affirmatie. Deze principes zijn alle afhankelijk van de manipulatie van gevoelens, die gestalte kreeg in de gevoelspolitiek van de verschillende politieke regimes van het Nederlandse revolutietijdvak. Deze gevoelspolitiek kwam wederom tot uiting in liederen en zangpraktijken. Liederen werden gebruikt om ideologieën te verspreiden en zangpraktijken werden ingezet om de lichamen van mensen te mobiliseren en hen zo te betrekken bij politieke ontwikkelingen. Zo scholden de patriotten en orangisten elkaar de huid vol in spotliederen en deze aanzetten tot wederzijdse haat leidden uiteindelijk tot een gewapend conflict.

Een dergelijke mobilisatie was afhankelijk van een bepaalde verbeeldingskracht. In de verbeelding konden datgene waarvoor men zich zou willen inzetten (een andere politieke situatie, een betere toekomst) tot uitdrukking komen. Bijvoorbeeld: een Nederlandse republiek zonder stadhouder. Tegelijkertijd was ook de verbeelding van gemeenschappen afhankelijk van eerdere mobilisaties. Zo konden eerder belichaamde gemeenschappen in de verbeelding voortgezet worden, zoals tussen 1787 en 1795 de patriotten in ballingschap dit deden.  Zowel verbeelde als belichaamde vormen van gemeenschap speelden een rol bij het bevestigen van het nieuwe regime na weer een politieke verschuiving. Dit is te zien in de vele nationale feesten na 1795 of het feestelijke onthaal van Willem Frederik in 1813. Een dergelijke affirmatie kon de gemeenschappen die door verbeelding en mobilisatie gecreëerd waren versterken. Waar liederen eerst ingezet werden om te polariseren, werden zij dus uiteindelijk ook gebruikt om een verzoeningsnarratief te versterken dat alle geschillen van het revolutietijdvak uit moest wissen.

Ondanks de vele politieke verschuivingen die zich tijdens deze turbulente tijd hebben voorgedaan, zijn er ook patronen van herhaling te onderscheiden. In het politieke liedrepertoire van het Nederlandse revolutietijdvak komen steeds dezelfde tropen, melodieën en praktijken terug. Hoewel hun specifieke betekenissen veranderden, werden ze voortdurend gebruikt voor hetzelfde doel: mensen samenbrengen in een gemeenschap. Voor het bouwen en in stand houden van gemeenschappen was het creëren van continuïteit essentieel. Zangpraktijken faciliteerden die continuïteit. Zo steunde de affectieve economie van de Nederlandse politiek van het revolutietijdvak—of dit nu een patriotse, orangistische, Bataafse of anderszins ideologisch gemotiveerde politiek was—op een vast repertoire van gevoelens dat gedurende die gehele periode werd gebruikt om de gemeenschappen binnen een politiek regime te versterken.    

People

Supervisor(s)

Phd Student(s)

External(s)

Isabella van Elferen

Kingston University London